Een stukje voor Diana.

Laat ik maar meteen met een boude bewering beginnen. De kleurenlino's van Diana Huijts zijn niet mis, ook al zijn ze altijd een beetje in de schaduw gebleven van het werk van een dubbeltalent als Charlotte Mutsaers. Ten onrechte. Velen kennen Mutsaers' beeldverhaal Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw (1986), maar wie heeft De lotgevallen van Porfiri Parelmoer (1993) ooit bekeken en gelezen, een merkwaardige geschiedenis vol onverwachte wendingen die Diana heeft verlucht met 10 linodrukken? De kans dat u dat boekje wel eens onder ogen heeft gehad, is overigens niet erg groot, want de oplage omvat niet meer dan 50 exemplaren. Behalve de aandoenlijke zwart-wit lino's met hun wonderlijk-naieve perspectivische werking trekken ook de teksten erbij de nodige aandacht. Bij de eerste lino's staat bij voorbeeld vermeld: ' Op een dag bemerkte Parelmoer dat hij geen neus meer had'. En bij de tweede: 'De volgende dag was hij opeens in een tor veranderd'. Dergelijke zinnen doen mijn literaire hart natuurlijk goed, want ze verwijzen naar twee van de allergrootste verhalen uit de wereldliteratuur. Ze refereren respectievelijk aan 'De neus' van Gogol en 'De gedaanteverwisseling' van Kafka. En bij de laatste lino staat het volgende vermeld: 'Zo is er elke dag wel wat om je over op te winden. Soms regent het nog ook!'. De lino zelf toont ons Parelmoer die een lange weg af loopt, op weg naar het verdwijnpunt waar het woord 'Einde' prijkt. In de vorm van een opkomende zon.

Indertijd heb ik Diana in de Twentsche Courant uitvoerig geprezen met de uitgave van De lotgevallen van Porfiri Parelmoer. De gevolgen daarvan kon ik onmiddellijk aanschouwen. Ze probeerde uit alle macht de onmiskenbare kracht van haar lino's te bagatelliseren. En dat doet ze tot op de dag van vandaag. Weldra liet ze lino en guts voor wat ze waren. Als een echte kunstenaar besloot ze nieuwe zijwegen in te slaan. Ze begon computertekeningen te maken, illustraties bij haar fabels die in vier kleine boekjes werden gebundeld, alweer in een oplage van 50 exemplaren. Sommige van die fabels zijn zo treffend dat ik er graag een wil voorlezen:

'De slakkenwals'. Eens in hun leven dansen de slakken een wals die zo traag is dat niemand die kan waarnemen. De leiders treden naar voren, vragen de danspartners ten dans en dan begint het. Op muziek van de zigeuners, met een tekst van een Spaanse dichter vangt de slakkenwals aan. Eén stap vooruit, één achteruit. Hef de glazen! In de gang dansen de kinderen die ten dode opgeschreven zijn mee. In de lucht trekken de vliegtuigen hun sporen. Op de grond in de gang dansen de slakken hun dans; hun laatste wals en de kinderen dansen hun laatste wals met hen mee.

Eigenlijk is deze fabel niet meer dan een bijschrift bij haar computertekening, of is de tekening juist een illustratie bij de tekst? Met deze vraag wil ik maar aangeven dat het werk van Diana een zeker literair karakter heeft. Niet alleen verwijst ze graag en vaak naar literaire meesterwerken, maar ze maakt ook gebruik van allerlei literaire technieken. Als het woord inmiddels al niet zo ouderwets zou zijn geworden, dan zou ik haast zeggen dat haar werk postmodern is. Vanwege het literaire karakter van haar werk vroeg ik Diana, ergens in 2000, of ze de omslagillustratie wilde maken voor Lam naast leeuw (2000), mijn essaybundel over J.J. Voskuil. Dat boek werd een succes, en niet louter en alleen dankzij de hype rond Voskuil. Het zag er ook prachtig uit,- iets dat steeds belangrijker wordt in het commerciële boekencircus. Het was dan ook niet verwonderlijk dat Diana - wederom - uitgebreid werd geprezen om haar kleurenlino. Het lammetje staat zo onschuldig een blaadje te snoepen en de leeuw ligt ogenschijnlijk zo slaperig in het gras, maar kijk… hij houdt wel stiekem zijn rechteroog open.

Enfin, de geschiedenis herhaalde zich. Na de loftuitingen aan haar adres sloeg Diana weer een andere weg in. Niet alleen werkte ze aan haar fabels, maar ook maakte ze vele tekeningen en schilderijen. Een klein deel daarvan is op deze zeer afwisselende expositie bijeengebracht. Vraag mij niet om een gemeenschappelijke noemer van al deze kunstwerken aan te geven, al zal zoiets ongetwijfeld in de richting gaan van het literaire karakter van veel van deze gewassen inkttekeningen en schilderijen. Liever vestig ik uw aandacht op een paar afzonderlijke kunstwerken. Zo is er een tekening in Oost-indische inkt en ook een in kleurenpotlood die een gemotoriseerde centaur verbeeldt. Een centaur is zoals u weet een symbiose van een mens en een paard. Diana heeft zich waarschijnlijk door het begrip paardenkracht laten inspireren om een soort symbiose te maken waarin een man volslagen samenvalt met zijn machine, een motor om precies te zijn. Maar de vrouwelijke bijzit, achterop, valt helemaal niet samen met deze gemotoriseerde centaur. In tegendeel. Daarmee vormt deze intrigerende voorstelling eigenlijk een prachtig uitgangspunt voor een college kunst- en techniekfilosofie over cyborgs en de vraag in hoeverre technische apparaten en hulpmiddelen in het menselijk lichaam kunnen worden opgenomen. Een bril, een gehoorapparaat of een pacemaker is inmiddels al een bijna vanzelfsprekende extensie van het menselijk lichaam, maar hoe staat het met de motor op Diana's tekeningen? Los van deze techniekfilosofische achtergrond hebben beide kunstwerken, zoals zo vaak het geval is, ook een anekdotische achtergrond. Misschien mag ik die verklappen: ooit zat Diana bij iemand achterop de brommer. De bestuurder zette de motor uit, ergens in het Italiaanse gebergte,- en zo zeilde het duo op het geruisloze gevaarte naar beneden. Steeds sneller natuurlijk, tot groot afgrijzen van de duopassagier die de dood al voor haar van schrik dichtgeknepen ogen zag opdoemen. De liefde was onmiddellijk over. Zo vertelt elk kunstwerk op deze expositie een verhaal. Of het nu een reeks dementerende bejaarden in het ziekenhuis is, een handvol illustraties bij scènes uit het werk van Isaak Babel of een eenzame Dante op zoek naar een geliefde. In bijna al deze voorstellingen duiken, vaak terzijde en soms ook heel terloops, de meest vreemde dieren op. Zo vliegen de vissen op het schilderij dat op de uitnodiging voor deze expositie staat afgebeeld, de toeschouwer voor het aquarium letterlijk om de oren. En het licht stijgt, geheel zoals Nescio dat zo graag zag, uit de grond op. Niets is wat het lijkt in de schilderijen en tekeningen van Diana. En toch ook weer een beetje wel, gezien alle literaire en schilderkunstige verwijzingen.

Ergo, ook nadat ik deze expositie heb geopend, wat ik dus bij dezen tussen de regels door maar doe, zal ik haar en de beeldende kunstenaar die daar verantwoordelijk voor is, nog lang blijven prijzen, al was het maar in de hoop bij Diana Huijts een tegengestelde reactie op te roepen,- de eerste aanzet tot een volgende expositie: graag eentje met kleurenlino's.

John Heymans.